Neigisme
« Si je devais définir, à la manière d'un critique d'art la peinture "neigiste" du copain Capitaine Lonchamp, écrivait Jaques Lizène, je dirais, tout net, qu'elle est l'aboutissement de l'art abstrait tachiste, dans sa forme "nuagiste évolué", et de la peinture matérialiste, comme les traces du pinceau toronien, et cela dans une surprenante façon de retrouver, de revisiter, la peinture figurative poétique d'une certaine partie de l'art japonais, par la subtilité des diverses touches blanches (comme une calligraphie) sur fond noir (nuit), formant effet de chute de neige... Et que tombe la neige ce soir ! Je vais oser proposer au Capitaine Lonchamp de ne pas cesser de recouvrir toutes surfaces noires de ses coups de pinceau rond de différentes grosseurs... ici sur des pneus pluie ou bidon à mazout, là sur toutes carrosseries, de voitures, d'avions, de bateaux ou de frigos, ou sur tout meuble, tout vêtement, et sur des divans profonds, également... et que vive le neigisme! »
En fait, lorsque Capitaine Lonchamp enneige murs, plafonds, objets, dessins, photographies, couettes, annuaires téléphoniques, cartons, carnets à spirales ou peintures trouvées, c’est à la fois hommage à la machine à peindre du docteur Faustroll, spirales de la gidouille, écriture originelle, pure abstraction, et solution imaginaire au principe d’impondérable, ce qu’on ne peut pondérer, ce qu’on ne peut peser, tel le flocon impondérable par essence. Ce serait aussi une façon singulière d’observer le monde, préférant « l’ascension du vide vers une périphérie à la chute des corps vers un centre », conception purement pataphysique.
Car Capitaine Lonchamp est pataphysicien, adepte de cette science des solutions imaginaires inventée par le docteur Faustroll, personnage issu de l’imagination féconde d’Alfred Jarry, père d’Ubu. Harald Szemann souligna toute l’importance de la tradition pataphysique dans l’art belge, l’intégrant en 2004 de façon magistrale à son exposition « Belgique Visionnaire ».
Capitaine Lonchamp développe en effet une œuvre polymorphe et singulière, visionnaire, onirique et décalée. S’il déambule à pied sous les étoiles ou de jour au volant de sa voiture, tantôt habillé en « snowman », cagoule noire enneigée, tantôt photographiant méthodiquement au fil du paysage un flocon d’ouate posé sur son tableau de bord, c’est à l’image du voyage entrepris par Faustroll, « de Paris à Paris par mer ou le Robinson belge » (1). Lorsqu’il projette ce motif du flocon de neige sur ses propres œuvres ou sur celles d’autres peintres, collectant les tableaux trouvés de tout genre, il s’agit de revivifier « la lance bienfaisante » de la machine à peindre que Jarry confia de façon toute littéraire au Douanier Rousseau. « Pendant soixante-trois jours, avec beaucoup de soin », celui-ci, écrit Jarry, « maquilla du calme uniforme du chaos la diversité impuissante des grimaces du Magasin National » (2). C’était là gage d’irrévérence à l’officialité, dripping subversif, que le Capitaine Lonchamp décline en couverture de neige, comme la neige couvre de sa blancheur les paysages nocturnes, comme elle protège aussi les couettes peintes de noir qu’inlassablement il recouvre de neige. Et s’il photographie les courants d’air, geste absurde s’il en est, c’est une autre façon d’établir une phénoménologie (3) poétique. « Un vent chasse un autre vent », écrit-il dans « Boum », en guise d’aphorisme philosophique et potache à la fois, texte récemment édité en regard de petites neiges sur papiers par l’excellente revue Gagarin. (4)
L’œuvre de Capitaine Lonchamp est parfaitement associative, réunissant les médias les plus divers, pièces sonores, vidéos, photographies, toiles, textes, collages, dessins, performances, dans une surprenante suite aussi logique qu’insolite et singulière, jouant de l’incongruité des titres, conduite par un devoir d’indiscipline, laissant à l’imaginaire le champ libre à un vagabondage poétique et philosophique, un vagabondage nocturne, ce moment justement privilégié où apparaissent les associations d’idées, les angoisses, l’inquiétude qui y campe, où naissent les peurs, les récits oniriques, ces heures de solitude où surgissent les ombres au creux d’une « latence obscure ». La nuit est l’autre versant de l’œuvre de Capitaine Lonchamp. Il la convoque par des rituels chamaniques, l’apprivoise dans le clair obscur de « pots à feu » aussi éphémères que la veillée est longue, s’y fond dans son costume de snowman, érige même le sommeil au rang des beaux-arts, ravivant l’image baudelairienne qui consiste à « vivre et dormir devant un miroir », peut-être parce que l’art est une façon d’y répondre, quêtant l’indicible au-delà du visible. Sur des photos trouvées, Capitaine Lonchamp insinue le personnage de snowman dans des environnements désuets, en famille, à l’usine, à la chasse, intrusion dans le quotidien au même titre que les questions de l’existence fonde une poésie visuelle qui s’ingénie à brouiller les perspectives, oscillant, comme les neiges, dira Lonchamp, sont « une harmonie à haut risque oscillant entre le rassurant et l’étouffement, entre un cocon sans limites, universel et une prison fragile et dévorante” Elles sont ce point en suspension, où passé, présent, futur ne semblent plus avoir cours. “Dévide le vent, détend le vide. Demain n’est pas un autre jour”.
1. Alfred Jarry, Gestes et Opinions du docteur Faustroll, 1889. 2. Le magasin National, le musée. 3. Gilles Deleuze a vu dans la ‘pataphysique l’invention de la phénoménologie. 4. Gagarin, n°12/ 2005. – www.gagarin.be
Jean-Michel Botquin
“Als ik als kunstcriticus het werk van onze vriend Capitaine Lonchamp zou moeten definiëren,” aldus Jacques Lizène, “dan zou ik simpelweg zeggen dat het een resultaat is van het abstract tachisme in zijn “geëvolueerde, wolkige” vorm en de materieschilderkunst, alsof het de toetsen zijn van Toroni’s penseel, in een verrassende herontdekking van bepaalde figuratieve en poëtische stijlelementen uit de japanse kunst waarin diverse, bijna kaligrafische toetsen van subtiele witten op een ondergrond zo zwart als de nacht de val van de sneeuw oproepen… en of het mag sneeuwen vanavond! Ik wil Capitaine Lonchamp hierbij voorstellen om nooit te stoppen met eender welke zwarte ondergrond te bedekken met de toetsen van zijn ronde penselen van verschillende dikte: op een regenband of een jerrycan, of de koetswerken van auto’s, vliegtuigen, boten, koelkasten, of op eender welk meubel, eender welk kledingstuk, en vooral op diepe sofa’s… dat het neigisme mag zegevieren!” (1)
Wanneer Capitaine Lonchamp muren, plafonds, karton, spiraalschriftjes of gevonden schilderijen besneeuwt, is het in feite een hommage aan de schildermachine van dokter Faustroll, de Gidouillespiralen, een volkomen originele schriftuur, pure abstractie en een imaginaire oplossing voor het onzekerheidsprincipe: van al wat men niet kan meten of wegen zal de sneeuwvlok zich nog het meest van al nooit laten manipuleren. Het is ook een eigenzinnige manier zijn om de wereld te beschouwen, met een voorkeur voor de ‘opstijging van het lege naar een periferie van de val van de lichamen naar het midden” - een puur ‘patafysisch concept.
Want een ‘pataphysicus, dat is Capitaine Lonchamp inderdaad: een aanhanger van de wetenschap van denkbeeldige oplossingen uitgevonden door dokter Faustroll, een personage ontsproten uit de vruchtbare verbeelding van Alfred Jarry, de geestelijke vader van Ubu. Harald Szeemann benadrukte nog het belang van de ‘patafysische traditie in de Belgische kunst, en integreerde ze in 2004 op magistrale wijze in zijn expositie ‘Visionair België’.
In feite ontwikkelt Capitaine Longchamp een veelzijdig en eigenzinnig, visionair, dromerig en tegendraads œuvre. Wanneer hij te voet onder de sterren rondslentert, of overdag in de auto rondrijdt –met zijn besneeuwde bivakmuts gekleed als ‘sneeuwman’ of terwijl hij onderweg nauwgezet foto’s maakt van een bolletje watten op het dashboard- het roept altijd een beeld op van dokter Faustrolls ‘overzeese reis van Parijs naar Parijs’, alsof hij een Belgische Robinson was.(2) Wanneer Lonchamp het sneeuwvlokkenmotief op de werken van zichzelf of andere schilders opbrengt –en gaandeweg een allegaartje aan gevonden werken verzamelt- gaat het om het opnieuw in het leven roepen van de “weldoende lans” die Alfred Jarry literair toevertrouwde aan Douanier Rousseau. Gedurende 63 dagen en met de grootste zorg verhulde hij de machteloze verscheidenheid van de grimassen van het ‘Magasin National’(het museum) tot de kalme uniformiteit van de chaos. (3).
Het was een blijk van afkeer tegenover al het officiële, een subversieve dripping die Capitaine Lonchamp vertaalde naar een sneeuwdek, zoals de sneeuw die met al zijn witheid het nachtlandschap bedekt, en de sneeuw waarmee hij onvermoeibaar zijn zwartgeschilderde dekbedden opnieuw bedekt. Ook het fotograferen van tochtplekken -hoe absurd de handeling ook mag zijn – is een andere manier om een poëtische fenomenologie (4) vast te stellen. “De ene wind verjaagt de andere” een zin die net zo goed een filosofisch aforisme als een flauwe grap van een scholier zou kunnen zijn, schrijft hij in ‘Boum’, een tekst die in het uitstekende tijdschrift ‘Gagarin’ werd gepubliceerd. (5).
Het werk van Capitaine Lonchamp is volmaakt associatief en verenigt de meest uiteenlopende media met elkaar: geluidswerken, films, doeken, foto’s, teksten, collages, performances zijn allen terug te vinden in een even logisch als verrassend en eigenzinnig resultaat, spelend met de grofheid van de titels en gedreven door een plicht tot ongehoorzaamheid, waardoor hij de verbeelding de vrije baan laat voor een zwerftocht langs poëzie en filosofie tijdens de nachtelijke uren: het moment bij uitstek waarop ideeën en onrust met elkaar geassociëerd worden, waarop angsten en droomverhalen geboren worden, de uren van de eenzaamheid waar de schaduwen verdwijnen in de dieptes van een obscuur vacuüm. De nacht is de keerzijde van Capitaine Lonchamps werk. Hij roept sjamanistische rituelen op, en temt ze in het halfduister van zijn vuurpotten – even vergankelijk als de dageraad lang is, waar hij zich in zijn snowmankostuum hult en zelfs de slaap tot de rang der schone kunsten verheft, waar hij het baudelairische beeld oproept van ‘leven en slapen voor een spiegel’. Misschien wel omdat de kunst een manier is om er het hoofd aan te bieden, om het onwaarneembare achter het zichtbare te oogsten. Op gevonden foto’s roept hij de aanwezigheid van zijn snowman op in ouderwetse omgevingen, temidden van een familie, in de fabriek, op jacht… een indringer in het dagelijkse die net als existentiële vragen een visuele poëzie oproept die perspectieven te vertroebelt; vibrerend, want zoals Lonchamp zelf zegt, is sneeuw ‘een hoogriskante harmonie die vibreert tussen verstikking en verzekering, tussen een oneindige en universele cocon en een fragiele en verzwelgende gevangenis’. Ze is het punt in een suspensie waarin verleden, heden en toekomst niet meer van belang lijken te zijn. “Wikkel de wind af, haal de spanning van de leegte. Morgen is niet een andere dag.”
1. Neigisme: Capitaine Lonchamps zelfbenoemde stijl, naar het Franse woord voor sneeuw: ‘neige’ - 2. Alfred Jarry: Gestes et Opinions du docteur Faustroll, 1889 - 3. Le magasin National: het museum. - 4. Gilles Deleuze zag de ‘patafysica als de uitvinding van de fenomenologie - 5. Gagarin, nr.12/ 2005. – www.gagarin.be |
|




|