4 september 2000
Wat is dat zogenaamd sluiten van die ogen? Is het niet weglopen uit wat er al is? Is het niet de minst pijnlijke, de gemakkelijkste, de goedkoopste oplossing? En dan weer die ogen open doen en dan weer zien. Is het sluiten van de ogen niet de nacht vervroegd binnenhalen, de verlossende nacht, die alles bijna weer gelijk maakt, ontmaakt. De verlenging van de nacht, het maken van de nacht.
De nacht is er. En daarom bedroeft ook de nacht mij. Ook de nacht komt en gaat en al houdt hij zich meer in dan de dag, hij is meer alleen, toch laat ook hij zich gewaarworden, zij het wel in meer vriendschap.
Maar wat is het gevaarlijk mijn ogen te sluiten als ik met de fiets rijd en ergens heen wil. Wat zoek ik met mijn open ogen met die fiets? Wat wil ik meer, wat is er meer?
Mijn fiets dient vriend te blijven van mijn ogen. Zij helpen elkaar om iets te willen. Zij hebben elkaar daarin nodig.
Maar met mijn fiets moet ik nog duwen en inspanning doen. Met mijn ogen niet. Zonder de minste inspanning hou ik mijn oogleden omhoog : zo erg zijn ze reeds gewend aan dat willen en dat verder gaan – alsof het zo is, alsof het een constante is, alsof het normaal is, alsof het de fond is. Wat heeft de wil zich genesteld in mijn bestaan, zich onbeschaamd genesteld.
En is de lamp op mijn fiets in de nacht niet het maken van een paar vierkante meter dag, die mij lokt, terwijl ik er trappend in zit te gapen en die alsmaar wegloopt voor mij uit.
En die politie, die wil dat mijn lamp aangaat, wil die echt de dag, de veelheid van de dag? Is die politie geen mededinger van de dag, van de wil om ergens heen te gaan. Zegt ook de politie niet : ginder!
De politie zegt.
Ik wil niet zeggen. Noch het zeggen van ginder, noch het zeggen van hier. Hoe vriend de nacht ook is, hij blijft misleidend. Hij toont mij nog iets, hij leidt mij in. Ook de nacht maakt nog wind, zoals mijn fiets.
Ach het blijft rondlopen en zoeken. Met die lamp bougeren, met die fiets rijden.
Ik moet niet gaan zoeken. Geen steen op de straat door mijn fietslamp verlicht zal mij lafenis bieden. Geen woord uit het woordenboek. Geen lijn uit dat schrift. Geen duw aan mijn pen.
De dag passeert, de nacht passeert. Zij kennen mij niet.
8 september 2003
Is het niet vreemd dat wij kijkend naar deze letters, de letters zelf niet meer zien maar de lading die zij hebben? Heel het mentale landschap dat zij oproepen wordt zichtbaar en zij zelf verdwijnen. En toch moeten zij er zijn.
Eens zij er zijn laten zij zich inruilen voor iets anders. De aandacht passeert langs hen naar iets anders. Zij kunnen ons zelfs voeren naar : niets of zoiets.
Is er zoiets als niets of is dat gewoon iets, gemaakt door bepaalde letters die weigeren een tastbare lading aan te voeren? En in hoeverre is zo’n lading niet tastbaar?
In hoeverre kunnen letters echt ladingen laten vallen, laten schieten. Hoe kunnen wij een R, een L, een Z ontdoen van een lading zodat zij afwezig worden. Hoe kan het woord boom weer geledigd worden zonder dat de letters b,o,o,m weer verschijnen, opduiken. Is het kwaad al niet geschied bij de aanzet van elke letter of toch zeker kort erna als de letter zijn vorm krijgt en onherroepelijk aanwezig wordt? Dan is het al te laat.
Maar wat gebeurt er zonder die letter, zonder die aanzet? Is deze vraag stellen niet de creatie van het moment ervoor, dat interessant kan zijn, doch juist door die letters.
Is niet alles wat ons gaande houdt gemaakt, gemaakt door onszelf, en als het niet gemaakt is, is het er niet, zien wij het niet, voelen wij het niet en zijn wij niet. En dat is juist niet interessant, tot wij, erover sprekend, het maken.
Er is niets, alles moet in arbeid worden, ook niets.
Daarmee zijn wij nu bezig. Jaren aan niets werken en mijn atelier daardoor alsmaar voller zien worden. O ironie van wat echt gebeurt. O, onvermijdelijk gebeuren. |