FR - EN
|
|---|
| Jeroen VAN BERGEN
|
JEROEN VAN BERGEN AU BONNEFANTENMUSEUM Nous connaissons Jeroen van Bergen grâce a quelques expositions dans sa galerie à Liège, et grâce à quelques présentations de son travail à Maastricht (Hedah & Bonnefantenmuseum). Toutes ses maquettes suivent le principe de l’accumulation (sur et à côté les unes des autres), des séries et du rythme, créant ainsi des constructions autonomes formant un monde urbain unique en son genre. On pourrait avancer la théorie selon laquelle il s’agit plus d’un phénomène musical que d’un environnement construit. La répétition infinie des modules fait penser à de la musique minimaliste (Philip Glass). A l’inverse des architectes, Van Bergen applique le principe du système modulaire de manière constante et n’en dévie pas. Rythme et répétition libèrent ses constructions de toute forme de réalité réelle. Il nous guide dans un monde de pure fiction et d’imagination. Et, comme nous le dit le texte de Bart Verschaffel, professeur émérite d’architecture et d’urbanisme à l’université de Gand dans son texte du catalogue de l’exposition, le travail de Jeroen van Bergen « est présenté comme quelque chose qui n’est pas « fabriqué» ou assemblé sur place, mais comme un objet précieux et coûteux qui a été déballé, comme un cadeau – entièrement neuf et terminé. Il apparaît comme par magie, soudainement, de telle manière que tout le monde oublie de se demander d’où il vient en réalité ». Une des meilleures façons de comprendre quelque chose est de raconter l’histoire de sa genèse : comment ça a commencé, comment c’est arrivé. Jeroen van Bergen raconte, dans son travail, le début de l’architecture. Dans son mythe originel, le principe – origine et fondement – de l’architecture est la plus petite pièce. Il emprunte les dimensions et la forme de celle-ci -la plus petite unité habitable , la pierre angulaire dont sont faits la ville et le monde - à la forme et à la taille des toilettes standards aux Pays-Bas. Ce module forme la base de sa recherche artistique. […] Dans ses premiers travaux, Jeroen van Bergen a construit une rue, un passage souterrain, une baignoire en coin et un bac de douche sur le principe du module de WC à l’échelle 1:1. Ces travaux étaient aussi des maquettes – des répliques simplifiées qui montrent ce que peut faire la plus petite architecture possible – mais il ne s’agissait pourtant pas de maquettes à l’échelle. Depuis ces dernières années, Van Bergen travaille constamment avec le module comme principe, mais il en rapetisse systématiquement l’échelle, et il utilise quasiment toujours des maquettes à l’échelle. Le but de ses recherches est de déterminer ce que la reproduction de masse et la combinaison de la plus petite pièce disent sur l’architecture. Les variations sont développées au niveau du bâtiment (avec toutes les variantes, allant de la maison individuelle aux immeubles jusqu’aux tours d’habitation) et au niveau de la ville (avec des rues, des enfilades de bâtiments, des maquettes de villes, etc.). Au niveau de la ville, Jeroen van Bergen fait des expérimentations d’empilements aussi bien verticaux qu’horizontaux, ce qui donne lieu à des résultats intéressants et variés. Les travaux constitués de petites pièces s’étendant massivement à l’horizontale rappellent les étendues urbaines expansives et désorganisées qui croissent spontanément à la périphérie des méga-cités, et aux cités désertiques traditionnelles comme celles de M’Zab en Algérie ou aux colonies précolombiennes. […]
|
||
JEROEN VAN BERGEN Jeroen van Bergen kennen we van enkele galerie-tentoonstellingen in Luik en enkele presentaties in Maastricht (Hedah & Bonnefantenmuseum). Zijn uitgangspunt mag dan een maquette zijn van de kleinste kamer, inmiddels bouwt hij mega-stedelijke structuren en gebouwen alsof het een lieve lust is. Het meest wonderlijke daarbij is het feit dat hij de maquette als medium over zijn grenzen tilt, zonder ooit in de verleiding te komen de architect uit te hangen. Al zijn maquettes luisteren naar het principe van stapeling, (achter en op elkaar), reeks en ritme,. waardoor bouwsels ontstaan die zich onafhankelijk gedragen en een geheel eigen 'stedelijke' wereld vormen. Men zou de stelling kunnen poneren dat hier meer sprake is van aan muziek gerelateerde fenomenen dan aan de bebouwde omgeving. Het tot in het oneindige herhalen van de modules doen denken aan 'minimal music' (Philip Glass). Anders dan architecten past Van Bergen het principe van het moduleersysteem uiterst consequent toe en wijkt er niet van af. De repetitie en ritme doen zijn bouwsels loskomen van iedere vorm van de werkelijke werkelijkheid. Hij leidt ons rond in een wereld van pure fictie en verbeelding. En zoals Bart Verschaffel, hoogleraar architectuurtheorie en architectuurkritiek aan de vakgroep Architectuur & Stedenbouw aan de Universiteit Gent, aanvult in de begeleidende catalogus wordt Jeroen van bergen zijn werk "[…] gepresenteerd als iets dat niet 'gemaakt' is of ter plaatse in elkaar geknutseld is, maar als een precieus en kostbaar object dat net als een geschenk, geheel nieuw en afgewerkt, uitgepakt wordt. Het verschijnt plots, wonderbaarlijk, zo dat iedereen vergeet te vragen waar het nu eigenlijk vandaan komt." (Out of) The Box. Het begin van de architectuur volgens Jeroen van Bergen Een der belangrijkste manieren om iets te begrijpen is het begin ervan te vertellen. Hoe het begonnen is, hoe het er gekomen is. Jeroen van Bergen vertelt, doorheen zijn werk, het begin van de architectuur. In zijn oorsprongsmythe is het principe – begin en beginsel - van de architectuur de kleinste kamer. Hij ontleent de maten en vorm voor deze kleinste eenheid van bewoonbaarheid, de bouwsteen waarmee de stad en de Wereld gemaakt wordt, aan de bouwnormen voor het toilet in Nederland. Deze module vormt het basismateriaal voor zijn artistiek onderzoek. […] In zijn eerste werken heeft Van Bergen met het 'principe' van de toiletmodule op schaal 1:1 een straatje gebouwd, een tunnelgang, een wagentje, een badhoek of douchekamer… Deze werken zijn zeker ook modellen – vereenvoudigde replica's die tonen wat de kleinst mogelijke architectuur doet – maar het zijn geen schaalmodellen. Gedurende de laatste jaren werkt Van Bergen consequent verder met de module als principe, maar verkleint hij systematisch de schaal, en gebruikt nog nagenoeg uitsluitend schaalmodellen. Hij onderzoekt welk beeld van de architectuur het massaal vermenigvuldigen en combineren van de 'kleinste kamer' oplevert. De variaties worden ontwikkeld op het niveau van het gebouw (met allerlei varianten gaande van huizen tot bouwblokken en torengebouwen) en op het niveau van de stad (met straten, gevelrijen, stadsmaquettes...). Op het niveau van de stad experimenteert Van Bergen zowel met horizontale als met verticale stapelingen. Dat levert zeer verschillende interessante resultaten op. De werken waarin hij de kleinste kamertjes massaal laag op elkaar stapelt herinneren nog het meest aan uitgestrekte, ongeorganiseerde slumps die spontaan groeien rond de nieuwe miljoenensteden, aan de traditionele woestijnsteden zoals die van M'Zab in Algerije, of aan de nederzettingen van de precolumbiaanse cultuur. […] |
|||